Allemaal aan de filosofie

– zoals verschenen in Ad Valvas (6 december 2017) en geschreven door Floor Bal –

Niet nuttig. Oubollig. Saai. De gemiddelde student economie of natuurkunde zit helemaal niet te wachten op een collegereeks over filosofie. Wat hebben ze eraan? Werkgroepdocent wijsgerige vorming David van Overbeek kent de vooroordelen. Een verplicht vak, dat vaak niet in de interessesfeer van studenten ligt, is moeilijk te verkopen. Toch weten Van Overbeek en zijn collega’s dat bij alle faculteiten, bij alle studies te doen. En als die studenten hun verplichte portie wijsbegeerte gehad hebben, geven ze het vak vaak ook nog een mooie beoordeling. Hoe krijgen die
docenten dat voor elkaar?

“Dat doe je door heel dicht op de huid van studenten te zitten en aan te sluiten bij de vragen die bij hen leven”, legt Van Overbeek uit. Hij geeft wijsgerige vorming bij verschillende faculteiten. “Vooraf zijn ze heel kritisch op een verplicht vak. En van filosofie hebben ze beelden in hun hoofd van oude mannen die wollige taal gebruiken.” Om die vooroordelen te doorbreken, bespreken de studenten bij wijsgerige vorming altijd filosofische discussies die binnen hun eigen vakgebied spelen. “Zo onderzoeken we aan de hand van het boek The Circle van Dave Eggers bij bestuurs- en organisatiewetenschap wat het betekent om bij een organisatie te werken. En bij psychologie discussiëren we over het bestaan van de vrije wil.”

Verzuchtende vraag
Het voeren van dit soort discussies vraagt een omschakeling van studenten waar ze nog even aan moeten wennen. “Vaak vragen ze aan de docent wat hun positie in een debat is”, zegt Van Overbeek. “Alleen: bij filosofie draait het niet om standpunten, maar om het bevragen van een kwestie. Bij psychologie is niet de dominante opvatting over de vrije wil onder wetenschappers belangrijk, maar de vraag wat het eigenlijk betekent dat neurowetenschappers de mens als een machine zien.” Niet iedereen zit op zo’n filosofische benadering te wachten. “Soms levert dat spanning op, dan vraagt de student zich af wat hij ermee kan. Dan krijg ik de verzuchtende vraag of niet iemand anders hierover na kan denken.” Toch merkt de docent dat de studenten in de loop van de collegereeks bijtrekken. “Het grappige is dat ze na een paar weken toch enthousiaster worden en die kritische blik aanleren.”

Ander register opentrekken
Van Overbeek vindt dat er voor studenten bij zijn vak veel te halen valt. “Bij filosofie leer je een nieuwe manier van denken en een andere wijze van taalgebruik aan. Sommige studenten vinden het uiteindelijk niets, maar voor anderen is het een eyeopener.” Het zijn juist de zesjesstudenten bij wie in zijn ogen veel winst te behalen valt. “Die zitten op het hekje. Als je ze erbij weet te betrekken zonder dat je de stof versimpelt, kun je ze echt wat leren.” Juist de studenten die niet altijd met hun vinger in de lucht zitten, vinden het vak vaak prettig, denkt Van Overbeek. “Omdat je bij dit vak een ander register kunt opentrekken. Sommige studenten vinden het niet prettig om altijd het woord te nemen. Zij willen juist ergens langer over nadenken en vervolgens rustig hun ideeën opschrijven.”

Studenten bij exacte vakken krijgen door filosofie een andere blik op wetenschap. “Bij bèta’s zit een andere weerstand. Voor hen werkt kennis tot het tegendeel bewezen is en door een andere theorie vervangen wordt. Bij de geesteswetenschappen is oude kennis niet per se vervallen kennis: het is niet onbruikbaar. Dat is voor bèta’s wennen.” Zelf geeft Van Overbeek geen les bij de bèta’s, maar hij weet dat zijn collega’s aan die faculteit studenten laten zien hoe exacte wetenschappers zich in het verleden ook met filosofische vragen bezighielden. En dat het voor hen ook relevant kan zijn.

Begeesterd door verplicht college
Van Overbeek is zelf het schoolvoorbeeld van een student die begeesterd raakte tijdens de verplichte colleges wijsgerige vorming. Als student economie twijfelde hij aan het nut van het vak. “Ik vroeg me af wat het zou kunnen bijdragen aan mijn leven.” Toch werd hij tijdens dit vak gegrepen. Het sloot namelijk aan bij de diepere vragen die hij al had. Zo koos hij voor economie omdat hij beter wilde begrijpen hoe de bankencrisis had kunnen plaatsvinden. Tegenwoordig combineert hij de twee disciplines. Na zijn master finance rondt hij binnenkort de master filosofie af. Hij is de enige niet. “Ik word regelmatig aangesproken door studenten die een minor of zelfs een master filosofie willen gaan doen.” Toch weer zieltjes gewonnen.

Red het Nederlands als academisch vormende taal op universiteiten

– zoals verschenen in Trouw (3 augustus 2017) –

De discussie over het taalbeleid in het hoger onderwijs bereikt haar kookpunt. Universiteiten wordt verweten het belang van de Nederlandse taal te onderschatten. Ze voeren het Engels in rap tempo door als onderwijstaal, nadat het al langer in het onderzoek domineert.

Met hoge verwachtingen keek ik daarom uit naar het onderzoek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW): ‘Nederlands en/of Engels?’ Dit onderzoek kwam niet uit de lucht vallen. De minister zelf heeft erom gevraagd, en aangegeven ‘de argumenten en discussie over taalbeleid te willen structureren en ordenen’. Het rapport is te genuanceerd en mist daardoor twee zaken die voor mij juist de kern van de kwestie bepalen.

Ten eerste valt op dat de KNAW niet ingaat op hoe bepalend financiële prikkels voor institutionele keuzes zijn. De wetenschappelijke aandacht voor dit onderwerp is na de ravage van de financiële crisis niet voor niets toegenomen. Iedere eerstejaars economie leert welke schade perverse prikkels in een markt kunnen aanrichten. Onderwijsfinanciering kun je ook als zo’n markt zien: binnen het huidige systeem krijgen universiteiten meer geld door meer (buitenlandse) studenten te werven. Deze thematiek werd eerder al aangekaart als rendementsdenken.

De kritiek is dat universiteiten zich te veel focussen op omzet en hierdoor hun hoofdtaak van goed onderwijs uit het oog verliezen. Dit wordt gezien als belangrijke oorzaak van overvolle collegezalen, het verdwijnen van kleine studies en de snelle overstap op het Engels als primaire academische taal. Dit alles heeft in 2015 nog geleid tot protesten in het Maagdenhuis en kan dus moeilijk aan de aandacht van de KNAW zijn ontsnapt. Hoe kritisch is het eigenlijk dat ze deze dimensie van financiële prikkels sterk onderbelicht laat? Waar komt deze blinde vlek voor de economische en organisatorische kant van de wetenschap vandaan?

Ook heb ik intellectuele twijfel. Er wordt in de huidige discussie te weinig gesproken over de intrinsieke waarde van taal. Dit is opvallend, omdat het zo nauw samenhangt met de vraag naar bildung waarvoor met name studenten van de grotere studies de afgelopen jaren veel aandacht hebben gevraagd.

Ik onderschrijf hun hartenkreet omdat ik heb ervaren hoe groot het contrast tussen een Engelstalige studie economie en een Nederlandstalige filosofieopleiding is. Op de filosofiefaculteit staat taalvaardigheid centraal en heb ik ondervonden dat zorgvuldig taalgebruik activerend werkt. De complexiteit van taal stelt ons in staat om woorden te geven aan fundamentele twijfels, verborgen vooronderstellingen en complexe problemen. De taal zwengelt nieuwsgierigheid aan en brengt een bevlogen kracht en vrijheid met zich mee die ruimte geeft aan enthousiasme en inspiratie voor zowel student als docent.

Iedere student heeft recht op deze vormende ervaring. De KNAW gaat echter compleet voorbij aan deze intrinsieke waarde van het Nederlands als onderdeel van algemene academische vorming. Met haar onderzoek geeft ze slechts netjes het overzicht van standpunten waar de minister om vraagt. Ironisch genoeg getuigt juist dit onderzoek van taalarmoede.

Hoe kan het dat de KNAW twee fundamentele kwesties – perverse financiële prikkels en de intrinsieke waarde van taal – nauwelijks meeneemt in haar analyse? Als dit rapport het tij moet keren, ben ik ernstig bezorgd over de toekomst van Nederlands als vormende academische taal.