Financialisering en het faustische levensgevoel

Welkom terug, heer Spengler. In het vorige interview zijn wij tot de slotsom gekomen dat de economie begrepen dient te worden vanuit de inbedding in een bepaalde cultuur. Daarbij zijn een aantal fenomenen en begrippen voorbijgekomen. We hebben het gehad over het oersymbool van de cultuur, het faustische gelddenken en de civilisatiefase van onze cultuur. U gaf aan dat als wij de economie daadwerkelijk willen begrijpen, we de samenhang van de economie met alle aspecten van een cultuur onder de loep dienen te nemen. 

“Ja, ik probeer de samenhang van de economie met andere domeinen zoals de politiek, cultuur en religie te begrijpen. Daarnaast is voor mij de tijd cruciaal; elke cultuur kent een aantal fases waarin de economie zich op een andere wijze uit. Ik ben een historisch denker. De economie van onze faustische cultuur bevindt zich in de laatste fase van cultuur. Het is de periode waarin de wereldstad opkomt en er in de cultuur een vormenverlies optreedt. Deze civilisatiefase kent haar eigen dynamiek waarin gelddenken en kapitaal een dominante rol gaan spelen. Dit gebeurt in onze civilisatie, maar heeft tevens plaatsgevonden in de cultuur van de oudheid, de Chinezen of Arabieren. Echter, doordat elke cultuur haar eigen oersymbool heeft, is de wijze waarop het gelddenken en kapitaal dominant worden telkens verschillend.”

Wat betekent het denken in termen van geld?

“Geld is in de civilisatiefase een categorie van het denken geworden, net zoals men een wiskundig, technisch of juridisch denken kan onderscheiden. Het gelddenken opent de wereld op een bepaalde manier, maar dekt deze wereld op andere wijze toe. Het gelddenken is niet van alle tijden, maar verschijnt pas in de cultuurfase van de stedelijke economie. In een gestaag veranderend principe van de markt zien we dit duidelijk naar voren komen. In de beginfase van een cultuur is de markt een trefpunt van boerenbelangen, ze komen hier met hun goederen. Met die goederen zijn ze tevens vergroeid; een boer kan zich bijvoorbeeld verbonden voelen met zijn vee. In latere cultuurfases wordt de markt een trefpunt van waren. De stad begint dan het platteland steeds meer aan zich te onderwerpen. Het is hier waar het gelddenken komt opzetten en dat de algemene waarde van goederen gaat bepalen. Hiermee wordt tevens een reductie in werking gezet: het gelddenken bevoorrecht het denken in termen van kwantiteit boven het denken in termen van kwaliteit. De gemiddelde econoom ziet hier een positieve beweging in. Het uitdrukken van waarde in een geldbedrag is een basale vooronderstelling van een vrijemarkteconomie. Het gaat mij er niet om deze omslag te bekritiseren of te bejubelen, maar te laten zien wat er precies gebeurt in het gelddenken, daar waar de econoom vaak aan voorbij gaat. Zoals wij de vorige keer hebben besproken, is de handelaar als de bemiddelende stand dominant in deze beweging. Vandaag de dag zouden we dit financiële intermediairs noemen. Het zijn onder andere de pensioenfondsen, vermogensbeheerders, banken en durfinvesteerders. In de civilisatiefase wordt het gelddenken maatgevend voor alle domeinen van het leven. We kennen dit ook wel als de financialisering van de samenleving, waar de afgelopen jaren veel kritiek op is geleverd. Maar wil deze kritiek zinvol zijn, dan moet men wel begrijpen wat dit precies behelst.”

Hoe zit dit precies, deze financialisering van de samenleving?

“Sinds de overgang van een keynesiaans economisch model naar het neoliberale model heeft de financialisering in de westerse samenleving om zich heen gegrepen. In de kern is zij een manier van denken dat erop gericht is financiële winsten te behalen. Financiële winsten zijn hoofdzakelijk anders dan productionele winsten in de zin dat ze niet voortkomen uit het creëren van een overwaarde, maar juist dat ze waarde uit onderliggende activa onttrekken. Een voorbeeld hiervan is de financieel specialist die zich niet alleen bezighoudt met de passiva van bedrijven (door leningen te verstrekken), maar zich nu ook richt op de activa (door deze op een nieuwe manier te gelde te maken). Zo structureert hij de eigendommen van een bedrijf op een dergelijke manier dat het dagelijks gebruik hiervan en de winsten die uit dit gebruik voortvloeien twee aparte stromen worden. Dit noemen we securitisatie, en de financieel specialist zal uitleggen dat het wordt gebruikt om financiële risico’s van bedrijven uit te spreiden en om aan te verdienen. Wat hij niet vertelt is dat deze splitsing het financieel huishouden van het bedrijf nog complexer maakt, en daarmee een verdere vervreemding van het primaire bedrijfsproces in gang zet. Deze manier van denken vinden we echter niet alleen bij grote bedrijven en banken. Ze heeft zich geëmancipeerd. Denk maar aan bedrijven als Airbnb of Uber die ditzelfde gelddenken commercialiseert: de gewone man kijkt naar zijn huis of auto en ziet opeens mogelijkheden om aan deze bezittingen geld te verdienen op een manier die hij eerst niet voorhanden had.

Het gelddenken is in onze tijd breed geworteld en geen van ons in de civilisatiefase wezensvreemd. Tegelijkertijd wordt dit gekoppeld aan een nieuwe hoopvolle beweging die bedrijven als Airbnb en Uber bezigen. Waar ik in dezen graag op wijs, is dat achter zowel traditionele financiële instellingen als disruptieve start-ups dezelfde denkwijze schuilgaat: een reductie van kwaliteit tot kwantiteit. In een huis wonen betekent bijvoorbeeld in onze tijd iets heel anders dan voorheen. De relatie met ons huis kende een zekere levendige onuitputtelijkheid: de woning als geaard middelpunt van iemands bestaan, waar het voltrekkende leven ten volle geschiedt. Met het om zich heen grijpen van het gelddenken raakt de woning ontworteld, dreigt wonen gereduceerd tot een financiële strategie. De oorspronkelijke kwaliteit wordt ingeruild voor kwantiteit. Het is wederom de faustische denkwijze om al het oneindige te willen doorkruisen en beheersen.”

Maar komt het gelddenken dan niet gewoon voort uit onze keuze voor een economisch model?

“Er schuilen veel complexiteiten in het gelddenken. Als rekenend denken is zij het meest verwant met de wiskunde. Maar getallen doden, verstarren het levende en blikken terug, terwijl nog steeds een groot deel van de huidige economische wetenschap er heilig van overtuigd is dat zij met diens methodes vooruit kunnen blikken. We zien bijvoorbeeld dat het CBS een prognose van 2% economische groei voorspelt, de ECB verwacht dat de markt voor leningen zal aantrekken en de overheid een groei aan belastinginkomsten raamt. Voorspellen is onlosmakelijk verbonden met de praktijk van de economie. Maar we weten inmiddels dondersgoed hoe lastig voorspellen is, met name op macro-economisch niveau. De risicomodellen voorafgaand aan de crisis zaten er volledig naast. De wortels van het probleem zitten naar mijn mening al in het miskennen van de spanning tussen het worden en het gewordene. Het gaat niet zozeer om het inzien van de feilbaarheid van de modellen (dat kan iedere econoom ons bijbrengen), maar om de spanning tussen het leven en de wereld – die hier altijd doorheen speelt – zo goed mogelijk bloot te leggen. Het gelddenken van de economie herneemt een waargenomen wereld. De manier waarop zij hetgewordene herneemt, verschilt van cultuur tot cultuur. Wij hebben hetgewordene eerder al gekarakteriseerd als het dode en het starre, als een systeem van wetten en causale betrekkingen dat getalsmatig en wiskundig te definiëren valt. De mens moet zich echter altijd afvragen of het de werkelijkheid is die ons dwingt haar geheimen wiskundig te ontrafelen, of dat wij de werkelijkheid dwingen om zich wiskundig aan ons te uiten.”

U gaf zonet aan dat het gelddenken per cultuur een verschillende uitwerking heeft. Wij hebben het de vorige keer gehad over het faustische geldbegrip. Hierbij dienen wij de waarde te begrijpen als een functie. Het blijft alleen voor ons lastig te bevatten wat dit precies behelst.

“Misschien kan ik het geldbegrip verhelderen aan de hand van een korte introductie van de ruimtelijkheid van een cultuur. Ik bedoel echter niet de mathematische ruimte van de uitgebreidheid, maar de dieptebeleving van een bepaalde cultuur. Een belangrijk gegeven is dat elke cultuur de ruimte op een andere manier ervaart en daardoor deze op een andere wijze zal organiseren. Met een cultuur is altijd een bepaalde ruimtelijkheid gegeven. Het gaat hier dus niet om de vaststelling dat een cultuur zich in de ruimte bevindt, maar dat zij naar haar aard ruimtelijk is. Het faustische levensgevoel zorgt ervoor dat de ruimte op een bepaalde wijze wordt ervaren en dit speelt door in ons gelddenken en de economische organisatie. Denk aan wat ik zojuist de overeenkomst tussen traditionele banken en zogenaamde nieuwe disruptieve technologiebedrijven noemde. De existentiële ruimtelijkheid van het gelddenken verwijst altijd naar de verhouding tussen de ziel van een cultuur en de wereld. Het gaat om de ruimte die we altijd al bewonen voordat wij haar eventueel in haar mathematische karakter beschrijven. Ze is dus pre-mathematisch en ook zeker al pre-economisch.

Het zinnebeeld voor deze dieptebeleving is in de faustische cultuur het ‘ik in de oneindig lege ruimte’. Dit heb ik de vorige keer gedefinieerd als het oersymbool, dat zorgt voor een organisatie van de ruimte en het speelt in alle domeinen van het leven door, waaronder in de economie. De ruimte is bij ons een dynamische en beweeglijke ruimte. Daarnaast kent onze cultuur een ongekend streven naar het oneindige; wij willen de ruimte doorkruisen en beheersen. In de natuurwetenschap vormen kracht en massa hierbij de centrale ordeningsprincipes, in de economische wetenschap zijn dit geldstromen en vermogens. Zoals ik al aangaf, zien wij deze dieptebeleving in alle domeinen van het leven. De economische ruimte wordt begrepen als een krachtenveld van spanningen. Ons economisch bestel kent een planetair karakter waarbij kapitaalstromen de gehele wereld in een oogwenk doorkruisen. De moderne techniek spant een web van financiële spinsels om de gehele wereld. Bij de faustische cultuur wordt de economische ruimte zo ingedeeld dat een handeling van een individu tot in de verste uithoeken van de wereld kan reiken. Op deze manier wordt de werking van de wil van een individu gemaximaliseerd en krijgt onze ruimtelijkheid een planetair karakter. De hand van Mario Draghi draait aan de renteknoppen, Zuckerberg bepaalt het facebookbeleid, en Trump plaatst dikke duimpjes bij zijn twitterkreten.”

Op welke wijze zien we dit dan terug in het faustische geldbegrip?

“Vanuit mijn begrip van de dieptebeleving en het oersymbool van een cultuur krijgen we ook beter grip op het faustisch geldbegrip. Ik zal proberen het concreter te maken met twee voorbeelden. Eerst een voorbeeld uit de wiskundige wereld. Bij de Grieken werd een punt begrepen als de abstractie van een lichaam; de punt als abstractie van statische en bestendige lichamen. In onze cultuur is de ruimte juist een menigvuldigheid van punten die samen relaties onderhouden. Het is vanuit deze ruimtelijkheid dat Descartes zijn coördinatenstelsel met de x- en y-assen uitvond en de functie centraal kwam te staan binnen de wiskunde. De functie is dynamisch en staat een oneindig aantal variaties toe in diens variabelen. Deze ruimtelijkheid zien we ook terug in het gelddenken van de economie. Het geld zelf is een verzamelpunt van allerlei relaties in functionele betrekkingen. Als Elon Musk morgen met een goed idee komt hangt er overmorgen een prijskaartje van een miljardje of wat aan. Is het plan dan overmorgen gerealiseerd? Nee, maar de functionele betrekking die het idee inneemt aangaande relevante factoren maakt dat het idee veel geld waard is. Diens werkzaamheid en slagkracht zijn hierbij fundamenteel voor de bepaling van de waarde. Elon Musk staat bekend als een uitzonderlijk ondernemer. Bovendien staat hij garant voor het feit dat er makkelijk kapitaal wordt aangetrokken, trekt hij werktalent aan, onderhoudt hij goede betrekkingen met Silicon Valley en de overheid, en geniet hij bekendheid. Al deze relaties zijn relevant voor ons waardebegrip. Een idee van Elon Musk staat niet op zichzelf maar is iets waard vanwege de positie die het inneemt binnen dit veld van betrekkingen. Daarnaast zit er iets van een belofte in, een vooruitgrijpen op de toekomst, een manier om de oneindige ruimte te doorkruisen. Geld wordt ervaren als een kracht om een grote groep mensen in beweging te brengen. Dit is voor ons zo vanzelfsprekend dat wij niet meer zien welke ruimtelijkheid en oersymbool erachter schuilgaat.

De faustische zijnswijze verheldert zodoende ons begrip van globalisering. Globalisering van markten is een uitdrukking van deze diepe behoefte om de wil van het individu te maximaliseren, zowel in ruimte als in tijd. Financialisering en securitisering zijn hier uitdrukkingen van pur sang. Aan de ene kant kunnen kapitaalstromen globaal over de wereld trekken om overal waar het netwerk uitgestrekt is haar slagkracht uit te delen. Aan de andere kant zien we dat de vrije, onbepaalde toekomst gekoloniseerd wordt door machtige actoren die haar binnen de sjablonen van financiële relaties persen. Het is de uiting van het faustische levensgevoel dat boven alles het andere dáár en dán in het eigen hier en nu brengen.”

zoals verschenen op leesspengler.nl (25 mei 2018) en mede geschreven door Sebastiaan Crul

Economen hebben zicht, filosofen hebben inzicht

Beste Heer Spengler, dank voor uw aanwezigheid. We zullen maar gelijk met de deur in huis vallen. Waarom zouden wij een filosoof moeten raadplegen als wij een blik op de huidige economische toestanden willen werpen? Er zijn toch ook binnen de economische wetenschappen genoeg kritische denkers te vinden? Een aantal jaar geleden kwam Piketty met zijn fundamentele studie over kapitaal en ongelijkheid, en eerder dit jaar verscheen het veel geprezen boek van Kate Raworth: Doughnut Economics. Ze wordt zelfs beschreven als de Keynes van de 21ste eeuw.

“Laat ik beginnen met duidelijk te maken dat deze denkers sterke inzichten laten zien over de economie, en dat wij bovendien op veel vlakken overeenkomsten vertonen in onze analyses. Zo heeft Piketty eveneens een historische kijk op de economie en laat zijn werk zien dat een gedegen onderzoek naar de dynamiek van kapitaal fundamenteel is voor een goed begrip van hedendaagse fenomenen. Ook Kate Raworth laat zien dat de klassieke economische theorieën van de 19de eeuw voor deze tijd niet meer volstaan als ze beschrijft hoe economiestudenten massaal in protest komen tegen de huidige lesstof. Wat mij interesseert als filosoof is wat het betekent dat deze spanningen binnen de economie precies nu haar intrede doen. Volgens mij is dat geen toeval. Zoals ik laat zien in De ondergang van het Avondland is deze interne onrust binnen de vakwetenschappen eigen aan de civilisatiefase van een cultuur. In zijn algemeenheid is dit in mijn ogen de laatste fase van een cultuur, de fase waarin alle mogelijkheden van een specifieke cultuur zijn uitgeput en er verstarring intreedt.

Neem nu het werk van Raworth. Hierin betoogt ze dat de economie zich niet moet bezighouden met de ontdekking van economische ‘wetten’, of om het in mijn terminologie te zeggen: de bezwering van economische ‘wetten’. Economische wetenschap dient zich wat haar betreft te concentreren op wat ten goede komt aan het ‘planetair huishouden’. Hier refereert ze aan wat de economie wat mij betreft in wezen is, namelijk: een uitdrukking van het zielenleven van een specifieke cultuur.

Ze geeft echter geen rekenschap van het feit dat de economie zoals wij die begrijpen – als systeem van wetten en causale verbanden tussen functionele betrekkingen zoals geld, nut, kapitaal, arbeid en andere kernbegrippen – op haar beurt zélf ingebed is in een bepaalde culturele setting. Onze huidige economie wordt immers nog steeds begrepen zoals het werd begrepen ten tijde van het industriële mechanisch georiënteerde Engeland van de 19e eeuw. Belangrijk voor de opkomst van de economie als wetenschap toendertijd is het ontstaan van ‘de fabriek’. Door het fenomeen van de ‘fabriek’ te begrijpen is de economische wetenschap ontstaan en heeft ze het fundament gelegd voor het begrippenapparaat waar wij in onze tijd nog (onbewust) gebruik van maken. Willen wij een werkelijk begrip krijgen van de economie en haar crises, dan dienen wij dat te doen vanuit een morfologie van de economie. Ofwel: Wij moeten de economie begrijpen vanuit het zich voltrekkende leven; haar opkomst en gestaltevorming binnen een cultuur én de wijze waarop deze in de civilisatiefase weer haar vorm verliest.”

Als wij het goed begrijpen is de economie geen systeem maar moeten we haar dus begrijpen vanuit de inbedding in een bepaalde cultuur?

“Ja, net zoals de politiek behoort de economie tot het Dasein: het zich voltrekkende leven. In haar grondfuncties bedient ieder duurzaam leven zich altijd al van economische technieken om zichzelf te continueren. Daar komt bij dat politiek de mens iets geeft om voor te sterven. In de bloei- en hoogtijdagen van een cultuur is de economie altijd dienend aan de politiek of religie. In de civilisatiefase wordt de economie het heersende domein van het leven. Dat de economie de politiek domineert werd onlangs weer pijnlijk duidelijk bij de afschaffing van de dividendbelasting onder druk van het grootkapitaal.

Dus nogmaals, wetten en modellen zijn causale samenhangen die terugkijken in de tijd – zoals onze hedendaagse economische grondideeën een verklaring waren voor het opkomen van de ‘fabriek’. Het zwaartepunt van een wet ligt altijd in hetgeen al voorbij is. Dat zag je bij de risicomodellen van hypotheekverstrekkers in de afgelopen crisis. De economie moet dus veeleer worden opgevat als een praktische en producerende activiteit die het bestaan van een soort bestendigt.”

Maar als we kijken naar de internetzeepbel in het begin van dit millennium, de grote kredietcrisis van tien jaar geleden of de huidige huizenmarkt in Amsterdam, dan zien we toch verscheidene fenomenen en een financieel stelsel dat helemaal niks meer van doen heeft met het leven of als uitdrukking van een specifieke cultuur kan gelden, toch? De invloed van globale processen op onze economie neemt juist toe. Een ontheemde financiële sector is van relaties naar abstracte anonieme transacties gegaan.

“Jullie hebben helemaal gelijk dat deze verschijnselen uitdrukking geven aan een ontheemde financiële sector. Echter, dat betekent niet we overhaast moeten concluderen dat de economie is losgekomen vanuit de inbedding in een bepaalde cultuur. In tegendeel, het loskomen van een grond en het zich als ontheemde financiële sector planetair ontvouwen, is de uiting van de faustische cultuur in haar civilisatiefase. In de civilisatie is de bemiddelde stand – de handelaar – de dominante partij geworden. De levensgang van deze handelaar is er een van roof, in plaats van productie. Ze ent zich op de productiezijde van de economie. De civilisatiefase zelf is de dictatuur van het geld dat zich volledig heeft losgezongen van het leven. Hierbinnen voeren de handelaren de scepter. Zij worden bepalend voor het economisch verkeer en dwingen de producent tot aanbod en de consument tot afname. In elke cultuur krijgt deze civilisatiefase van de dictatuur van het geld een andere vorm. In onze faustische cultuur krijgt het een planetair en ontheemd karakter, waardoor de verscheidene fenomenen waarop jullie wijzen mogelijk zijn. Dit heeft alles met de faustische civilisatiefase en het faustische gelddenken te maken. We kunnen het huidige financiële landschap en de ontwikkelingen van de afgelopen decennia beter begrijpen als uiting van de ingetreden civilisatiefase van onze cultuur.”

Wij willen graag even wat langer stil blijven staan bij het financiële landschap, welke ontwikkelingen bedoelt u precies?

“Het financiële landschap heeft de afgelopen vijftig jaar revolutionaire veranderingen ondergaan. Men kan grotere hoeveelheden geld lenen tegen lagere rentepercentages, investeren in een breed palet aan financiële instrumenten die in ieder denkbaar risicoprofiel voorzien, en risico’s delen met totaal onbekenden aan de andere zijde van de wereld. Ook de aard van de financiële sector is veranderd. Aan de voorkant is de financiële markt toegankelijker geworden en kunnen risico’s beter over de gehele economie uitgesmeerd worden, terwijl aan de achterkant de complexiteit en onoverzichtelijkheid juist is toegenomen. In haar totaliteit zijn financiële markten omvangrijker en invloedrijker geworden door stuwende krachten als technologische ontwikkelingen, institutionele veranderingen en intensieve deregulatie. Maar in tegenstelling tot een financiële sector die de reële economie dient is zij veeleer een motor geweest voor ongelijkheid en misstanden. De groei van de financiële sector loopt op geen enkele manier parallel aan de groep van het bruto nationaal product. Daarnaast zijn de schuldposities van zowel overheden als particulieren sterk gestegen wat voor verscheidene onwenselijke risico’s zorgt.”

Hoe duidt u deze verandering?

“Al deze fenomenen zijn tot stand gekomen dankzij financiële innovaties die vanaf de jaren 70 zijn ingevoerd door de bemiddelende stand, die in onze cultuur vooral wordt belichaamd door de grote financiële instituten. Deze financiële innovaties en ontwikkelingen in de financiële wereld, zoals derivaten, opties, renteswaps en securitisatie, zijn uitingen van het faustische geldbegrip. Aan de financiële innovaties ligt ten grondslag onze opvatting van wat geld eigenlijk is, die vervolgens de innovaties überhaupt mogelijk heeft gemaakt. Waar het geld in de antieke cultuur nog een grootte betekende, is het bij ons een functie. Dit klinkt abstract, dus laat mij in het kort proberen te schetsen wat ik hiermee bedoel. Elke cultuur kent haar eigen geldsymbool, welke noodzakelijk is als zinnebeeld om de waarde ervan uit te drukken. Bij de Grieken gold geld als grootheid, omdat een munt naargelang haar zwaarte een waarde heeft. Bij ons wordt het begrepen als een functie. Waar een grootte nog vastzit aan de zintuigelijke lichamelijke aanwezigheid, maakt ons geldbegrip zich los van het concrete bestaan van individuele lichamen. Het zinnebeeld is dan ook niet meer een waardepapier, deze is slechts de herinnering of getuigenis aan de afspraak of het contract. De handdruk of de handtekening zijn fundamenteel, niet het geldbiljet. Dat is ook de reden waarom de handtekening van Mario Draghi op jullie 5 of 10 eurobiljet staat. Het drukt een belofte uit. De volgende denkstap is cruciaal. Jullie moeten nu gaan inzien dat geld in de faustische cultuur een waarde heeft omdat het een slagkracht of werking heeft, niet omdat het simpelweg bestaat. Dit kan op het eerste gezicht vreemd klinken, maar kijk nu eens naar de beurswaarde van een bedrijf. Dan zien wij dat dit voor onze cultuur allang een vanzelfsprekende gedachte is. Als een bedrijf naar de beurs gaat doet het een belofte om in de toekomst economische bedrijvigheid en omzet te realiseren. De beurswaarde van een bedrijf begrijpen wij door alle toekomstige beloftes – het vertrouwen in de daadkracht van het bedrijf – te verdisconteren in een abstracte waarde. Zo kan in onze cultuur een goed idee van een gewaardeerd ondernemer miljarden waard zijn, terwijl een fabriek die per dag honderdduizenden stoelen maakt een beurswaarde van een euro kan hebben.

Het punt dat ik probeer te maken is het volgende: de financiële ontwikkelingen van de afgelopen decennia kunnen zich alleen voordoen als uiting van het faustische gelddenken in onze cultuur en waren überhaupt onmogelijk in andere culturen. Dus ook alle problemen die zijn opgetreden in de veranderde financiële landschap laten zich het best begrijpen door dieper in te gaan op het faustische gelddenken en diens kernbegrippen.”

Maar als wij Piketty lezen dan kunnen wij deze ontwikkeling toch veel makkelijker en juist vanuit een simpele economische wet begrijpen? Als het rendement op vermogen groter is dan de economische groei, dan neemt de ongelijkheid toe. Dat economische ongelijkheid een motor is voor sociale misstanden en problemen mag geen verrassing heten. De rijken worden steeds rijker en vergroten zo ook hun macht en greep op de wereld. Om deze analyse te maken hoeft er geen faustisch gelddenken aan te pas te komen, niet waar?

“Wederom, want volgens mij dringt het nog niet echt tot jullie door, de economie behoort tot het domein van het leven, niet tot dat van de wereld. Theoretiseren doet men over de wereld. Jullie vallen een theorie aan met een andere theorie en dat is niet het pad dat ik volg. Ik ga tot op zekere hoogte mee met het verhaal van Piketty, en zie eveneens de problemen van de groeiende ongelijkheid. De vraag is echter of wij daarmee een compleet idee ontwikkelen van de economie, en haar samenhang begrijpen met de politiek, cultuur, religie en geschiedenis. Ik denk van niet. Het feit dat Piketty dan ook niet in staat is om met een betere oplossing te komen dan bijvoorbeeld progressieve belastingen op kapitaal, zegt wat mij betreft genoeg. Het gaat er om niet alleen de economische problemen te zien en haar vanuit de economie te beschrijven, maar om een inzien door het vanuit het gehele leven te doorgronden. Economen hebben zicht, filosofen hebben inzicht.”

Dat zijn leuke oneliners Spengler, typisch voor een filosoof, maar kan u ook iets duidelijker formuleren waarom de economie tot het leven behoort en niet tot de wereld? Waarom zijn deze twee überhaupt van elkaar te onderscheiden?

“In mijn filosofie begrijp ik het leven en de wereld als een tegenstelling. Om dit te begrijpen zal men mijn denkpaden moeten volgen en er een bepaalde voeling mee moeten krijgen. Dan opent de huidige economische wereld zich op een compleet nieuwe wijze. Laat ik een korte schets proberen te geven om duidelijk te maken wat ik bedoel. Het leven – als een worden, onthoudt dit goed – is de gestalte waarin de verwerkelijking van het mogelijke plaatsvindt. De ziel van een cultuur geeft uitdrukking aan dit mogelijke. Door een specifiek oersymbool dat in alle domeinen van de cultuur zichtbaar is; denk aan architectuur, kunst, muziek, film, bedrijven, universiteiten et cetera. De wereld daarentegen geeft uitdrukking aan het gewordene: de mogelijkheden die een cultuur vanuit haar ziel reeds heeft gerealiseerd. De wereld of het gewordene heeft echter als star en dood fenomeen ook telkens iets vreemds. Op verscheidene manieren probeert de mens dit ‘vreemde’, wat zich als spanning tegenover hem bevindt, als wereld toe te eigenen. Het gelddenken is net zoals het wiskundig denken een manier om de zintuigelijke indrukken van deze wereld te begrenzen en zo te bezweren, bijvoorbeeld door economische wetten. Als gelddenken begrijpen wij het geld als een functie die wijst naar een functionele samenhang tussen meerdere entiteiten of partijen. Zo eigenen wij de wereld van de economie toe en is zij een uiting van de faustische cultuur. Een wijze om het vreemde van de wereld als cultuuruiting toe te eigenen wordt ook duidelijk zichtbaar in de woorden ‘be-grijpen’ of ‘be-tekenen’. Begrijpen is omgrenzen. Betekenen is afbakenen. Vaak betekent het alleen dat, als we ergens grip op krijgen, we tevens iets loslaten. Zoals wanneer men eindelijk het juiste woord heeft gevonden voor een emotie, deze zelf daarmee langzaam in het woord verdwijnt of oplost, zo verdwijnen ook de vreemde, misschien wel onbegrijpelijke aspecten van de economie in de wetten en het gelddenken van onze cultuur. Mijn denken probeert het noodlottige en onbegrijpelijke terug te denken in de economie. Maar om dit faustisch gelddenken goed te begrijpen – ik heb het hier slechts abstract geformuleerd – dienen wij over te gaan tot een morfologie van de vormenwereld. We moeten de economie niet vanuit de economie bestuderen, anders lopen we in dezelfde valkuilen van bovenstaande economen.”

zoals verschenen op leesspengler.nl (19 december 2017) en mede geschreven door Sebastiaan Crul

Allemaal aan de filosofie

Niet nuttig. Oubollig. Saai. De gemiddelde student economie of natuurkunde zit helemaal niet te wachten op een collegereeks over filosofie. Wat hebben ze eraan? Werkgroepdocent wijsgerige vorming David van Overbeek kent de vooroordelen. Een verplicht vak, dat vaak niet in de interessesfeer van studenten ligt, is moeilijk te verkopen. Toch weten Van Overbeek en zijn collega’s dat bij alle faculteiten, bij alle studies te doen. En als die studenten hun verplichte portie wijsbegeerte gehad hebben, geven ze het vak vaak ook nog een mooie beoordeling. Hoe krijgen die
docenten dat voor elkaar?

“Dat doe je door heel dicht op de huid van studenten te zitten en aan te sluiten bij de vragen die bij hen leven”, legt Van Overbeek uit. Hij geeft wijsgerige vorming bij verschillende faculteiten. “Vooraf zijn ze heel kritisch op een verplicht vak. En van filosofie hebben ze beelden in hun hoofd van oude mannen die wollige taal gebruiken.” Om die vooroordelen te doorbreken, bespreken de studenten bij wijsgerige vorming altijd filosofische discussies die binnen hun eigen vakgebied spelen. “Zo onderzoeken we aan de hand van het boek The Circle van Dave Eggers bij bestuurs- en organisatiewetenschap wat het betekent om bij een organisatie te werken. En bij psychologie discussiëren we over het bestaan van de vrije wil.”

Verzuchtende vraag
Het voeren van dit soort discussies vraagt een omschakeling van studenten waar ze nog even aan moeten wennen. “Vaak vragen ze aan de docent wat hun positie in een debat is”, zegt Van Overbeek. “Alleen: bij filosofie draait het niet om standpunten, maar om het bevragen van een kwestie. Bij psychologie is niet de dominante opvatting over de vrije wil onder wetenschappers belangrijk, maar de vraag wat het eigenlijk betekent dat neurowetenschappers de mens als een machine zien.” Niet iedereen zit op zo’n filosofische benadering te wachten. “Soms levert dat spanning op, dan vraagt de student zich af wat hij ermee kan. Dan krijg ik de verzuchtende vraag of niet iemand anders hierover na kan denken.” Toch merkt de docent dat de studenten in de loop van de collegereeks bijtrekken. “Het grappige is dat ze na een paar weken toch enthousiaster worden en die kritische blik aanleren.”

Ander register opentrekken
Van Overbeek vindt dat er voor studenten bij zijn vak veel te halen valt. “Bij filosofie leer je een nieuwe manier van denken en een andere wijze van taalgebruik aan. Sommige studenten vinden het uiteindelijk niets, maar voor anderen is het een eyeopener.” Het zijn juist de zesjesstudenten bij wie in zijn ogen veel winst te behalen valt. “Die zitten op het hekje. Als je ze erbij weet te betrekken zonder dat je de stof versimpelt, kun je ze echt wat leren.” Juist de studenten die niet altijd met hun vinger in de lucht zitten, vinden het vak vaak prettig, denkt Van Overbeek. “Omdat je bij dit vak een ander register kunt opentrekken. Sommige studenten vinden het niet prettig om altijd het woord te nemen. Zij willen juist ergens langer over nadenken en vervolgens rustig hun ideeën opschrijven.”

Studenten bij exacte vakken krijgen door filosofie een andere blik op wetenschap. “Bij bèta’s zit een andere weerstand. Voor hen werkt kennis tot het tegendeel bewezen is en door een andere theorie vervangen wordt. Bij de geesteswetenschappen is oude kennis niet per se vervallen kennis: het is niet onbruikbaar. Dat is voor bèta’s wennen.” Zelf geeft Van Overbeek geen les bij de bèta’s, maar hij weet dat zijn collega’s aan die faculteit studenten laten zien hoe exacte wetenschappers zich in het verleden ook met filosofische vragen bezighielden. En dat het voor hen ook relevant kan zijn.

Begeesterd door verplicht college
Van Overbeek is zelf het schoolvoorbeeld van een student die begeesterd raakte tijdens de verplichte colleges wijsgerige vorming. Als student economie twijfelde hij aan het nut van het vak. “Ik vroeg me af wat het zou kunnen bijdragen aan mijn leven.” Toch werd hij tijdens dit vak gegrepen. Het sloot namelijk aan bij de diepere vragen die hij al had. Zo koos hij voor economie omdat hij beter wilde begrijpen hoe de bankencrisis had kunnen plaatsvinden. Tegenwoordig combineert hij de twee disciplines. Na zijn master finance rondt hij binnenkort de master filosofie af. Hij is de enige niet. “Ik word regelmatig aangesproken door studenten die een minor of zelfs een master filosofie willen gaan doen.” Toch weer zieltjes gewonnen.

zoals verschenen in Ad Valvas (6 december 2017) en geschreven door Floor Bal

Red het Nederlands als academisch vormende taal op universiteiten

De discussie over het taalbeleid in het hoger onderwijs bereikt haar kookpunt. Universiteiten wordt verweten het belang van de Nederlandse taal te onderschatten. Ze voeren het Engels in rap tempo door als onderwijstaal, nadat het al langer in het onderzoek domineert.

Met hoge verwachtingen keek ik daarom uit naar het onderzoek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW): ‘Nederlands en/of Engels?’ Dit onderzoek kwam niet uit de lucht vallen. De minister zelf heeft erom gevraagd, en aangegeven ‘de argumenten en discussie over taalbeleid te willen structureren en ordenen’. Het rapport is te genuanceerd en mist daardoor twee zaken die voor mij juist de kern van de kwestie bepalen.

Ten eerste valt op dat de KNAW niet ingaat op hoe bepalend financiële prikkels voor institutionele keuzes zijn. De wetenschappelijke aandacht voor dit onderwerp is na de ravage van de financiële crisis niet voor niets toegenomen. Iedere eerstejaars economie leert welke schade perverse prikkels in een markt kunnen aanrichten. Onderwijsfinanciering kun je ook als zo’n markt zien: binnen het huidige systeem krijgen universiteiten meer geld door meer (buitenlandse) studenten te werven. Deze thematiek werd eerder al aangekaart als rendementsdenken.

De kritiek is dat universiteiten zich te veel focussen op omzet en hierdoor hun hoofdtaak van goed onderwijs uit het oog verliezen. Dit wordt gezien als belangrijke oorzaak van overvolle collegezalen, het verdwijnen van kleine studies en de snelle overstap op het Engels als primaire academische taal. Dit alles heeft in 2015 nog geleid tot protesten in het Maagdenhuis en kan dus moeilijk aan de aandacht van de KNAW zijn ontsnapt. Hoe kritisch is het eigenlijk dat ze deze dimensie van financiële prikkels sterk onderbelicht laat? Waar komt deze blinde vlek voor de economische en organisatorische kant van de wetenschap vandaan?

Ook heb ik intellectuele twijfel. Er wordt in de huidige discussie te weinig gesproken over de intrinsieke waarde van taal. Dit is opvallend, omdat het zo nauw samenhangt met de vraag naar bildung waarvoor met name studenten van de grotere studies de afgelopen jaren veel aandacht hebben gevraagd.

Ik onderschrijf hun hartenkreet omdat ik heb ervaren hoe groot het contrast tussen een Engelstalige studie economie en een Nederlandstalige filosofieopleiding is. Op de filosofiefaculteit staat taalvaardigheid centraal en heb ik ondervonden dat zorgvuldig taalgebruik activerend werkt. De complexiteit van taal stelt ons in staat om woorden te geven aan fundamentele twijfels, verborgen vooronderstellingen en complexe problemen. De taal zwengelt nieuwsgierigheid aan en brengt een bevlogen kracht en vrijheid met zich mee die ruimte geeft aan enthousiasme en inspiratie voor zowel student als docent.

Iedere student heeft recht op deze vormende ervaring. De KNAW gaat echter compleet voorbij aan deze intrinsieke waarde van het Nederlands als onderdeel van algemene academische vorming. Met haar onderzoek geeft ze slechts netjes het overzicht van standpunten waar de minister om vraagt. Ironisch genoeg getuigt juist dit onderzoek van taalarmoede.

Hoe kan het dat de KNAW twee fundamentele kwesties – perverse financiële prikkels en de intrinsieke waarde van taal – nauwelijks meeneemt in haar analyse? Als dit rapport het tij moet keren, ben ik ernstig bezorgd over de toekomst van Nederlands als vormende academische taal.

zoals eerder verschenen in Trouw (3 augustus 2017)